Eikenhakhout

Vroeger was eikenhakhout een vorm van productiebos. Gemiddeld iedere 10 jaar werden de stammen op kniehoogte boven de grond afgezaagd (geknot). Hierdoor ontstonden gaandeweg stoven, soms van eeuwen oud. Deze zijn op de Veluwe nu nog terug te vinden.

Het geoogste eikenhout had vele toepassingen. De schors (eek) werd gemalen tot run. Hieruit werd looizuur gewonnen voor de leerlooierij. Het rechte hout was constructiemateriaal (palen, hekwerken). Wat tenslotte overbleef was brandhout. Deze oude cultuurvorm heeft in onze moderne maatschappij zijn functie verloren – het beheer werd gestaakt en het eikenhakhout groeide uit tot sfeervolle, soms sprookjesachtige bossen. De bomen hebben er meerdere stammen en daardoor een gedrongen, struikachtig uiterlijk.

Eikenhakhout

Eikenhakhout

Het eikenhakhout in de heemtuin heeft een beheercyclus van zo’n 8 jaar. Binnen die tijd variëren de groeiomstandigheden er van open, zonnig en warm naar dicht, donker en koel. Na een kaalslag zullen vooral lichtminnende kruiden als Dagkoekoeksbloem, Valeriaan en Hennepnetel hun kans grijpen. In de loop der jaren winnen schaduwminnende bosplanten als Gele Dovenetel en Salomonszegel terrein. Hakhout is een sterk wisselende leefomgeving.

Eikenhakhout na snoeien

Eikenhakhout na snoeien

De laatste jaren van een cyclus is hakhout erg geschikt voor vogelsoorten als Winterkoning, Heggemus, Goudhaantje en Staartmees om er te fourageren (en soms te broeden). Op de eiken langs de randen is een viertal verschillende gallen te vinden.

Stadsboerderij Presikhaaf is onderdeel van Natuurcentrum Arnhem